Julius Caesar. Een biografie (Hans Oppermann, 2006)
De biografie van Gaius Julius Caesar (100 – 44 v.C.) schetst het leven van één van de grootste politici en strategen aller tijden. Caesar stamde af van het geslacht van de Juliërs, dat behoorde tot het patriciaat, de oude vooraanstaande adel. De stamboom van de Juliërs zou teruggaan naar Aeneas, de zoon van de Griekse godin Afrodite of de Romeinse godin Venus. Aan grootmoeders zijde was Caesar van koninklijke afkomst, van het geslacht van de Marciërs. Julius Caesar zelf groeide op in een woelige periode voor het oude Rome, de Romeinse revolutie. Van 133 v.C. tot aan de slag van Actium in 31 v.C. voltrok zich een conflictrijk proces en de overgang van de Romeinse republiek naar de monarchie. Caesar zou hier een belangrijke rol in spelen die gesymboliseerd wordt door het oversteken van de Rubicon. Alia iacta est, de teerling is geworpen. Al snel werd duidelijk dat Julius Caesar zeer intelligent en ambitieus was. Auteur Hans Oppermann besteed ruime aandacht aan de opgang van Caesar in het Romeinse politieke leven, de vele tegenslagen die hiermee gepaard gingen, maar ook de kracht waarmee hij zich staande hield tussen oude rotten als Sulla, Cicero en later Pompeius. Op jonge leeftijd verloor Caesar zijn vader, waardoor hij snel zelfstandig werkte. Maar de innige band met zijn moeder bleef wel een rode draad door zijn leven.
Caesar, Pompeius en Crassus sluiten in 60 een eerste triumviraat, één jaar later wordt Caesar consul en voert hij een aantal indringende veranderingen door in de Romeinse samenleving. Als leider van de volkspartij, en tegenstander van de optimaten en de senaat, had hij de steun van het volk. Als redenaar begreep hij de kunst het volk voor zich te winnen. Die kunst zou hem later goed van pas komen om zijn troepen bij de verschillende veldslagen voldoende zelfvertrouwen in te pompen en hen een gevoel van onoverwinnelijkheid mee te geven. Caesar was een politiek genie, oorlogsvoering betekende voor hem niets meer dan de voortzetting van politiek met andere middelen. En die middelen kon hij als militair strateeg beter dan wie ook aanwenden. Zijn troepen stonden onverbiddelijk achter hem: de oorlog in Gallië, het terugdringen van de Germanen, de strijd tegen Pompeius’ troepen tijdens de burgeroorlog, de verovering van Spanje, het noorden van Afrika, het westen van Azië. Nooit stond Caesar aan de verliezende zijde. Hij, en hij alleen, bouwde het Romeinse wereldimperium op. Veni, vidi, vici.
Hans Oppermann legt niet alleen de nadruk op het politieke en militaire, maar wil ook de persoonlijkheid van Caesar bloot leggen. Geen eenvoudige opdracht, maar toch een goede poging. Caesar was niet alleen politicus, maar ook een charmante minnaar, een warme echtgenoot. Zijn enige dochter, Julia, en zijn moeder, de twee belangrijkste vrouwen in Caesars leven, stierven in 54. Een zware klap, maar hij zette door. De veelbesproken affaire met Cleopatra komt ook aan bod, net als de geruchten over buitenechtelijke kinderen. Caesars geadopteerde zoon, zijn neef Gaius Octavianus, werd uiteindelijk zijn belangrijkste erfgenaam. Gaius Octavianus, later bekend als keizer Augustus, zou de Romeinse revolutie voltrekken in de slag van Actium in 31 v.C. toen hij de oostelijke helft van het Romeinse rijk versloeg.
De Duitse auteur Hans Oppermann (1895-1982) was professor klassieke filologie. Zijn onderzoek richtte zich vooral naar Caesar, Horatius, Vergilius en de weerklank van de klassieke auteurs in de moderne literatuur. Hij pende met zijn biografie over Julius Caesar een overzichtelijk, duidelijk, volledig en zelfs spannend werk neer.
De Schaduw van de Ster (Peter Edel, 2002)
Israël. Al decennialang een vuurspuwende vlek op de wereldkaart. Het beloofde land van de Israëlieten ten tijde van Abraham, het eindstation voor Mozes. Maar ook het reële land van Arabieren, de Palestijnen. Joden en Arabieren vechten al jarenlang om het gebied tussen Libanon, Syrië, Jordanië en Egypte. Een vredesproces eindigt telkens opnieuw in oorlogsvoering. Praten lukt niet. De Nederlandse auteur Peter Edel vindt in het zionisme, de nationalistische beweging voor een exclusief joodse staat, Israël, de aanzet en blijvende aansteker van die onderlinge conflicten. Het zionisme is ontstaan uit geschriften van Theodor Herzl eind negentiende eeuw. Herzl streefde naar een zo groot mogelijk Israël, tussen de Nijl en de Eufraat. Uit dit zionisme groeiden twee stromingen. Enerzijds het socialistische zionisme die enige opening voor compromissen hield, onder meer met betrekking tot de reikwijdte van het joodse Israël. Zo maakten zij het mogelijk dat de Palestijnen recht hebben op een klein gebied in Israël. Dit socialistische zionisme kent echter ook een zwarte keerzijde in zijn geschiedenis, namelijk de verschillende pogingen tot samenwerking met nazistische, fascistische en andere extreemrechtse groeperingen, zowel vóór, tijdens als na de Eerste Wereldoorlog. Verschillende zionisten probeerden zelfs met nazi-Duitsland lucratieve deals te sluiten. Anderzijds maken de revisionistische zionisten ieder compromis onmogelijk. Zij streven naar een Groot Israël van de Nijl tot de Eufraat. Vladimir Jabotinsky is de grondlegger van deze beweging, de huidige Likudpartij is hieruit gegroeid. De revisionisten gruwelden van samenwerking met nazi-Duitsland. Daarnaast zijn er ook joden die niet tot de zionistische beweging behoren. Peter Edel haalt in zijn boek verschillende getuigenissen aan van antizionisten.
In De Schaduw van de Ster geeft Peter Edel zijn alternatieve visie op het conflict tussen joden en Palestijnen in Israël. Hij schuwt geen gewaagde stellingnames, ook niet over de holocaust, maar wringt zich zeker niet in een antisemitische hoek. Edel geeft meerdere keren aan dat de zionistische beweging de holocaust gebruikt en misbruikt in haar eigen voordeel, als bestaansreden van de staat Israël. Iedere tegenstander van Israël, iedere antizionist wordt door de zionisten bestempeld als een antisemiet. Een tweede zaak is het fundamentele raciale karakter van het zionisme. Theodor Herzl gaat ervan uit dat de joden een uitverkoren volk zijn die recht hebben op de staat Israël. Dit gedachtegoed alleen al gaat uit van een racistisch, discriminatoir principe. Edel gaat verder en onderzoekt de verbanden tussen de zionisten en de drugshandel, de steun aan extremistische regimes, de wapenindustrie en komt tot een aantal verrassende conclusies, onder meer over het bestaan en de toepassing van nucleaire, biologische en chemische wapens in Israël. De auteur voorspelt een onrustwekkende toekomst voor de regio als de zionisten in Israël aan de macht blijven, en die kans lijkt reëel aangezien zowel de Arbeiderspartij als de Likudpartij hun ontstaan vinden in de twee stromingen van het zionisme. Een conflictresolutie op lange termijn is pas mogelijk als de antizionisten meer macht en invloed krijgen op het beleid in Israël, meent Peter Edel.
Peter Edel (Amsterdam, 1959) is fotograaf, beeldend kunstenaar en publicist. Hij schreef verschillende artikels over Israël en de zionistische geschiedenis voor Nederlandse tijdschriften.
Winston Churchill (Sebastian Haffner, 2006)
Winston Churchill (1874-1965). Een vreemde man, een vreemd levensverloop. Zijn voorvader John Churchill, hertog van Marlborough, speelde in eind 17e- begin 18e eeuw een cruciale rol in de Europese politiek. De Churchills klommen op tot de hoge adel, maar lange tijd zou niemand in de voetsporen treden van de hertog. Tot in 1880, toen Randolph Churchill van de conservatieven opnieuw de regerende partij maakte. Maar vooral Randolphs zoon, Winston, zou de Churchills laten heersen over het Europese continent. Winston Churchills politieke leven telde verschillende grote doorbraken en diepe afgronden. Churchill was een politicus, een diplomaat, maar bovenal een militair. Hij liet voor het eerst van zich horen tijdens militaire expedities in Cuba, Soedan en Zuid-Afrika. Na de Boerenoorlog werd hij voor het eerst verkozen in het Lagerhuis. Maar hij zag voor zichzelf en zijn partij, de conservatieven, geen grote toekomst en stapte in 1904 over naar de liberale partij. Een overstap die hem veel vijanden opleverde en weinig vrienden. Hij zou dit gegeven zijn hele carrière meedragen. De harde en meedogenloze Churchill was niet geliefd bij collega’s. Zijn nieuwe overstap in 1924, terug naar de conservatieven, zou dit proces alleen maar versterken. Churchill was inderdaad eerder een radicaal dan een liberaal of socialist, maar hij was geen extremist. Hij was zelfs zeer emotioneel in het politiek bedrijven. Die twintig liberale jaren zetten Churchill op verschillende ministerposten, maar hij slaagde er nooit in zijn ding te doen. Churchill werd pas echt Churchill na de opkomst van Hitler in Duitsland en Stalin in de Sovjet-Unie. Hij zag het nazigevaar meteen in en was bereid, in tegenstelling tot alle andere politieke leiders in die tijd, om militair in te grijpen. Hij wilde zelfs het Stalin-regime militair verslaan. Churchill behaalde zijn grote gelijk in 1939, toen Hitler effectief op oorlog aanstuurde. Meteen het signaal om hem tot premier te benoemen in 1940, op 66-jarige leeftijd. En van nu af kon hij zich volledig uitleven in de politiek. Hij zou geschiedenis schrijven … Auteur Sebastian Haffner stelt zich de moeilijke vraag of Europa er effectief anders zou uitzien zonder Churchill. Het antwoord is waarschijnlijk bevestigend. Zonder Churchill was niemand in Groot-Brittannië bereid de strijd met Hitler en nazi-Duitsland aan te gaan. En zonder Groot-Brittannië sprongen de Verenigde Staten nooit mee in de dans tijdens de Tweede Wereldoorlog. En waar zou Hitler dan staan zonder tussenkomst van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten?
De Duitse auteur Sebastian Haffner (Berlijn, 1907-1999) slaagt er met zijn biografie van Winston Churchill opnieuw in een boeiend verhaal te combineren met glasheldere analyses. Haffner is auteur van verschillende historische bestsellers zoals Kanttekeningen bij Hitler en Van Bismarck tot Hitler. Hij emigreerde eind jaren ‘30 met zijn joodse vriendin naar Groot-Brittannië waar hij in de ban raakte van Churchill. Haffner werkte er als journalist voor verschillende bladen en raakte al snel gekend voor zijn speciale, scherpe pen. Winston Churchill is een beknopte, maar complete biografie van de voormalige Britse premier. Het boek is aangenaam en leerrijk om lezen door die verhalende en analyserende stijl van Haffner. De auteur probeert de bewegingen en motieven van Churchill te verklaren, niet louter door transparante, maar ook door emotionele en karakteristieke elementen in kaart te brengen. Churchill is niet alleen een Britse pitbull of een autoritaire man/vader/politicus, maar ook een romanticus, een man met emoties, een man met een visie. Dit is het voornaamste wat ik onthouden heb van dit boek.
De Weg naar Mekka (Jan Leyers, 2007)
Jan Leyers begint eind april 2006 aan een diepgaande ontdekkingstocht dwars door de moslimwereld. Hij wil nagaan of Samuel Huntington gelijk had met zijn voorspelling van ‘clash of civilizations’. Hoe groot zijn de verschillen tussen de westerse wereld en de islambeschaving? Leyers reist door verschillende landen en ontmoet er interessante en uiteenlopende figuren: huisvrouwen, journalisten, schoolkinderen, professoren, sjeiks, ayatollahs, mullahs, imams, fundamentalisten en terroristen. Allemaal doen ze hun verhaal. De tocht begint op 28 april 2006 in het Spaanse Córdoba, duizend jaar geleden een centrum van geleerdheid en beschaving, de hoofdstad van het islamitische rijk Al-Andalus dat in 1492 ten onder ging aan de christelijke veroveringstochten. Marokko is de volgende halte waar de auteur diep onder de indruk raakt van de fenomenale Hassan II-moskee in Casablanca. Het woelige Algerije laat na tien jaar burgeroorlog meer triestige sporen na. Leyers spreekt er met Madani Mezrag, kopman van de terroristische groepering AIS, die honderden doden op zijn geweten heeft. Maar ook de andere zijde van de medaille komt aan bod. De seculiere berbers, de Kabyliërs, zijn niet tevreden met het leven in islami(s)tisch Algerije. Niet iedereen in de moslimwereld denkt in dezelfde richting. In Libië ontdekt Leyers de restanten van Kaddhafi’s revolutie. Het verhaal gaat verder langs Egypte en het rustiger Jordanië. De reis doorheen Israël en Palestina verloopt minder vlekkeloos. De joodse nederzetting Hebron is een zware doorn in het oog van de Palestijnen. Leyers spreekt er met de verschillende strekkingen, maar merkt dat een akkoord moeilijk haalbaar is. De aanhoudende conflicten tussen Syrië en Libanon sluiten hier onmiddellijk op aan. De moord op premier Hariri beheerst nog steeds de gesprekken. Turkije is dan weer het buitenbeentje tijdens de tocht. De seculiere staat van Kemal Atatürk zoekt zich eerder een baan naar Europa dan naar het Midden-Oosten. Leyers reist verder langs de islamitische republiek Iran om uiteindelijk te belanden in Saudi-Arabië, de thuisbasis van het wahabisme, één van de meest fundamentalistische stromingen binnen de Islam. Hier zoekt hij zich een weg naar Mekka, hét heiligdom van de moslims, maar ontoegankelijk voor niet-moslims …
De Weg naar Mekka is een fantastische en intrigerende inleiding tot de islamitische wereld. Auteur Jan Leyers (Wilrijk, 1958) slaagt erin bijna 500 pagina’s lang een boeiend, meeslepend en vernieuwend verhaal te brengen, met af en toe de nodige humor, een persoonlijke bedenking of een vernieuwend standpunt. Zo leest hij gedurende zijn maandenlange reis het grote reisverslag van Ali Bey uit begin 19e eeuw, een Spaanse spion die, net als Leyers zelf, de islamwereld wil ontdekken. De gelijkenissen en verschillen zijn soms onthutsend. Leyers probeert in zijn boek een eerlijk en evenwichtig beeld te brengen van de moslimwereld en van de bestaande denkrichtingen. Hij probeert zich in te leven maar veelal denkt hij terug aan de conclusies van Samuel Huntington. Er bestaan immense verschillen tussen de westerse wereld en de moslimwereld. Ik denk aan de positie van de vrouw, de politieke inrichting van een land, de interpretatie van goddelijke geschriften, het individuele denken, omgaan met geweld, de emancipatie tout court, enzovoort. Een botsing der beschavingen lijkt ver weg, een scheiding der beschavingen helaas genoeg niet …
Uit Goede Bron (Prevenier, Howell & Boone, 2000)
Wat is waar en wat is niet-waar in de geschiedenis? Op die vraag zoeken auteurs Walter Prevenier, Martha Howell en Marc Boone een antwoord in het boek Uit Goede Bron. De hedendaagse tijdsgenoot moet zich voor kennis van het verleden baseren op bronnen. Dit kunnen archeologische sites, voorwerpen, literaire teksten, oorkonden, audiovisueel materiaal of getuigen zijn. Maar iedere individuele bron moet aan een kritische diagnose onderworpen worden om de inhoudelijke en formele echtheid ervan te achterhalen. Een aantal aangehaalde voorbeelden zijn de zogenaamde dagboeken van Hitler, die in het Duitse weekblad Der Stern verschenen of de vele vormen van kunstfraude. Eender welke bron moet voldoen aan een aantal vereisten om effectief bruikbaar te zijn voor de hedendaagse historicus. Dit is geen eenvoudige opdracht. In de eerste plaats is ook een onderzoeker nooit absoluut objectief. Een individuele bron is altijd een menselijke creatie, waarachter een ideologie, een sociaal-economische context en een levensverhaal zit verscholen. Die motieven moeten achterhaald worden vooraleer een bron effectief kan aangewend worden. Een intrigerend voorbeeld is de Watergate-casus. In de eerste fase liepen alle getuigenissen in de richting van niet-betrokkenheid van president Nixon. Theoretisch zou hier de unanimiteitsregel moeten toegepast worden, maar na diepgaand onderzoek van journalisten van de Washington Post en later van een onderzoekscommissie van de Amerikaanse Senaat kwam de betrokkenheid van Nixon toch aan het licht.
De auteurs tonen hun bevindingen aan de hand van verschillende actuele en minder actuele voorbeelden. Was Boris Jeltsin in 1991 door de Amerikaanse president Bush vooraf op de hoogte gebracht van de augustuscoup? Beval de Israëlische regering in 1982 de inval in de kampen Sabra en Chatilla in Libanon? Wat is een unieke bron waard, zoals de biografie van Karel de Grote door Einhard, een hoveling aan het Karolingische hof? Kan het DNA-onderzoek eindelijk zorgen voor het ‘harde’ bewijs, bijvoorbeeld in de eeuwenoude death row-problematiek? De auteurs halen hun mosterd verder in de samenwerking met andere disciplines, de sociale wetenschappen en de studie van tekst, tekens en taal voorop. Geschiedschrijving is geen exacte wetenschap, zoals de 19e eeuwse positivisten hoopten. Maar in de geschiedenis kunnen wel een aantal wetmatigheden teruggevonden worden, zoals in de natuurwetenschappen. Ten tweede bestaat de geschiedenis niet uit ‘pure feiten’ zonder contextuele verbanden met politieke, sociale, culturele of economische systemen, zoals de objectivisten à la Ranke aannamen. Geschiedenis is een constructie door mensen, historische figuren of de massa, met bepaalde motivaties. En in de gebeurtenissen van vroeger zoekt de militant de materialen voor zijn zekerheden van vandaag.
Walter Prevenier (Zelzate, 1934) is historicus en hoogleraar aan de Gentse universiteit. Hij is gespecialiseerd in de Middeleeuwen, paleografie en oorkondenleer. Hij schreef het boek samen met zijn Gentse collega Marc Boone en de Amerikaanse professor Martha Howell.
De Oorlog in Joegoslavië (György Konrád, 1999)
In het voorjaar van 1999 zette de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie voor het eerst een aanvalsoorlog in, tegen de principes van de organisatie zelf. Het NAVO-verdrag is gebaseerd op wederzijdse verdediging en samenwerking tussen de ondertekende landen. Wanneer een land één van de NAVO-lidstaten aanvalt, mag die zich verwachten aan een collectieve tegenaanval. Maar in maart 1999 werd dit fundamentele principe even aan de kant gezet. Luchtaanvallen kleurden verschillende steden in Joegoslavië, toen nog bestaande uit Servië, Montenegro en Kosovo, zwart en rood. De NAVO achtte de oorlog noodzakelijk om humanitaire redenen, om de Albanees-Kosovaarse minderheid in Joegoslavië te beschermen tegen de Servische troepen van president Milosevic. De staten Bosnië en Herzegovina, Slovenië, Kroatië en Macedonië hadden zich begin jaren ‘90 al afgescheiden van Joegoslavië. De westerse landen steunden die separatistische stromingen. In Kosovo voerde de UCK een guerrillaoorlog tegen het Milosevic-regime. De UCK droomde openlijk van een groot-Albanese staat met Albanië zelf en de Albanese minderheden in onder meer Kosovo, Bosnië en Macedonië. De aanhoudende conflicten tussen Albanezen en Serviërs leidden tot een echte humanitaire ramp, duizenden doden, honderdduizenden vluchtelingen. De NAVO greep in het voorjaar van 1999 militair in en steunde hiermee de Albanees-Kosovaarse strijd tegen de Servische troepen van Slobodan Milosevic.
De Hongaarse schrijver György Konrád was één van de weinige kritische stemmen in die tijd. Hij hekelt het machtsvertoon van de NAVO in wat hij zijn achtertuin noemt, Kosovo. Konrád vindt de logica niet van dit militaire optreden. Enerzijds wil de West-Europese wereld zich voortdurend verenigen in de Europese Unie, terwijl men anderzijds voortdurend desintegratieve tendensen steunt op de Balkan. Hij gaat op zoek naar de redenen hiertoe, maar komt niet verder dan machtsvertoon. De NAVO luidde de oorlog in onder een aantal humanitaire noemers, zoals de bescherming van de Albanese minderheid in Joegoslavië en de afzetting van dictator Milosevic. Maar met die luchtbombardementen bereikt men net het omgekeerde. De troepen van Milosevic zetten zich nog meer af tegen de westerse landen en reageren hun frustraties gewelddadig af op de Albanese minderheid. Ten tweede vallen er veel te veel onschuldige burgerslachtoffers ten gevolge van die luchtaanvallen. Hierdoor wordt de bevolkingssteun vóór Milosevic en tegen het westen opnieuw groter. En ten vierde strookt de aanval absoluut niet met de grondprincipes van de NAVO. Dit is de eerste keer in de geschiedenis dat een NAVO-land een niet-NAVO-land aanvalt zonder legitieme aanleiding. Joegoslavië had namelijk geen NAVO-lidstaat aangevallen in de vorige jaren. Waarom zien de NAVO-leiders dit omgekeerde effect van hun actie niet in? De auteur stelt een aantal lastige vragen voor de leiders van die tijd. Hongarije trad twee weken voor het luchtbombardement op Kosovo toe tot de NAVO en Konrád voelt zich persoonlijk betrokken bij de activiteiten van de organisatie.
De joods-Hongaarse schrijver Geörgy Konrád (1933, Debrecen) maakte een aantal traumatische ervaringen mee in zijn leven. Hij overleefde het nazisme van Hitler, het communisme van Stalin en was een dichte getuige van de Joegoslavische leiders Tito en Milosevic. Konrád studeerde literatuurwetenschappen, sociologie en psychologie aan de universiteit in Boedapest. Zijn werk was verboden in het communistische Hongarije. Hij wordt gezien als één van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. Hij is een zelfverklaarde aanhanger van de liberale democratie, de Europese integratie en de westerse oriëntatie van Hongarije.
De Leeuw van Vlaanderen (Hendrik Conscience, 1838)
Het historisch meesterwerk van Hendrik Conscience, De Leeuw van Vlaanderen, dompelt de lezer onder in de sfeer van de eerste jaren van de veertiende eeuw. Het Graafschap Vlaanderen van Gwyde van Dampierre verloor alle macht aan de Franse koning Philippe le Bel na een onrustige periode. De oude Gwyde trok met vijftig edelmannen en twee van zijn zonen, Willem en Robrecht van Bethune, bijgenaamd de leeuw van Vlaanderen om eerdere heldendaden, naar Parijs om genade te vragen aan de koning en om zijn dochter Philippa vrij te krijgen. Hun knieval levert niets op en de Fransen arresteren Gwyde en zijn gevolg. Jacques de Chatillon wordt de landvoogd van Vlaanderen en hij heerst met harde hand en neerbuigendheid over het Vlaamse volk. Pieter Deconinck en Jan Breydel, respectievelijk deken van de wevers en deken van de beenhouwers in het rijke Brugge, komen in opstand tegen die Franse bezetting van hun vaderland. Ze eisen de vrijlating van hun graaf. De Fransen pikken die Vlaamse eisen niet en drijven de belastingen op. Deconinck en Breydel willen hun vaderland bevrijden en bedenken een ambitieus plan. Ze beleggen hun troepen in de naburige bossen rond Brugge en verrassen de Fransen op een nacht met een ongenadige aanval. De bezetters en de leliaards, de Vlamingen die de Franse koning gezind zijn, vluchten de stad uit. De Vlamingen worden tijdens die Brugse Metten tonnen moed ingepompt. Maar de Franse koning berust op wraak en verzamelt meer dan zestigduizend troepen om komaf te maken met die Vlaamse boeren. De strijd ontaardt aan de Kortrijkse Groeningebeek en wordt jaarlijks op 11 juli herdacht als de Slag der Gulden Sporen, de Vlaamse feestdag.
Het magnum opus van Hendrik Conscience is een prachtig verhaal van Vlaamse heldenmoed tegen de vreemde bezetter. Het is geschreven in een periode van Vlaamse onderdrukking door Waalse bevelhebbers in de nieuwe staat België. Conscience wil de lezers met dit historische verhaal bewust maken van de Vlaamse heldenmoed in de geschiedenis. Net hierin ligt waarschijnlijk zijn grote succes. Hij raakte de mensen op gevoelige punten, waar de Vlaamse fierheid zeker toe behoort. Zijn werk werd veelvuldig gelezen en voorgelezen. Het is ook educatief een zeer belangrijk werk. De auteur werkt met tientallen voetnoten waarmee hij de mensen wil onderwijzen, overtuigen of inpalmen. Het werk is gebaseerd op historisch waargebeurde feiten, Conscience voerde uitgebreid onderzoek en bezocht de beschreven sites, maar soms wordt een loopje genomen met de realiteit. Dit is dan ook de grootste kritiek op het werk. Vooral de kortstondige terugkeer van de leeuw van Vlaanderen, Robrecht de Bethune, tijdens de Guldensporenslag, waarin hij honderden Fransen vermoord en de Vlamingen naar de overwinning leidt, is historisch nooit bewezen. Conscience weet de lezer ook te raken met een door het werk heen verstrengeld romantisch liefdesverhaal tussen Machteld, dochter van Robrecht, en Adolf van Nieuwland, een Vlaamse ridder. Hij beschrijft uitgebreid een aantal emotionele en passionele momenten waardoor de lezer dieper in het verhaal getrokken wordt.
Hendrik Conscience (1812-1883) schreef De Leeuw van Vlaanderen op 26-jarige leeftijd. Hij was de zoon van een Franse vader en Vlaamse moeder. Zijn eerste schrijfsels waren Franse gedichten. Inspiratie voor zijn grootste werk zou hij opgedaan hebben bij het bestuderen van het schilderij De Groeningeslag van Nicaise de Keyser. Hij werkte later onder meer als hulponderwijzer, vrijwilliger in het leger, klerk en tuiniersknecht, maar greep altijd terug naar zijn sterkste wapen, zijn pen. De Leeuw van Vlaanderen werd in veel kringen geprezen en hij verwierf, met een tiental jaar vertraging, roem en internationale erkenning.
Opiniestuk. Kan cycloon voor omwenteling zorgen?
De cycloon Nargis maakt alle gemoederen los. Birma/Myanmar is diep getroffen. De menselijke en materiële schade is onmeetbaar. Tienduizenden zijn gestorven, honderdduizenden zijn wanhopig op de vlucht. De internationale gemeenschap kijkt toe, wil helpen, maar kan niet. De militaire junta, State Peace and Development Council, laat vooralsnog geen pottenkijkers toe. De voormalige hoofdstad Rangoon en de Irrawaddy-delta zijn ontembaar getroffen. Het merendeel van de Birmezen leeft al decennialang zelfvoorzienend, kweekt groenten, fruit of rijst. Nargis bracht de rijstoogst onherstelbare schade toe. Miljoenen mensen moeten vrezen voor hun voedselaanvoer de komende weken, maanden, jaren. Het is angstig en spannend wachten op de noodzakelijke visa voor internationale hulpverleners. De Verenigde Staten stellen eisen op in ruil voor steun. In de huidige rampsituatie is dit echter niet gepast. Mensen moeten voorgaan op politiek. Daarom is het wachten op dat ene signaal van de militaire overheid, dat ene greintje menselijkheid van de senior-generals.
Nargis kan ook op politiek vlak een rol spelen. Het referendum is in bepaalde gebieden twee weken uitgesteld, maar de mensen zullen niet stemmen voor een door de junta omarmde grondwet. Zij zijn voor de zoveelste maal diep getroffen in hun waardigheid. Kon de junta maatregelen getroffen hebben? Interne bronnen melden dat de NASA vorige week woensdag, drie dagen vóór de ramp, het regime waarschuwde over een mogelijke gevaarlijke cycloon die zou razen over het zuiden van het land. Ook Thaise en Indische meteorologische organisaties hadden dit donderdag voorspeld. De junta reageerde niet. De bevolking werd niet preventief ingelicht of geëvacueerd voor het mogelijke gevaar. Alle militaire manschappen en middelen waren ingezet om de ja-campagne voor het grondwettelijk referendum tot een goed einde te brengen. Met intimidatie, terreur, geweld en opsluiting. Birma zou ja stemmen op de nieuwe grondwet.
Zal de bevolking dit laten gebeuren eens ze hiervan op de hoogte zijn? Of volgen nieuwe opstanden zoals in augustus-september 2007? Een anonieme man vroeg zich na de ramp af waar de militairen bleven met hulp. “In september stonden ze hier snel toen ze hun wapens moesten boven halen.” Bij nieuwe opstanden moet de internationale gemeenschap wel ingrijpen als ze haar grondbeginselen trouw wil blijven. Birma is stilaan een groot gevaar voor de regionale stabiliteit. Kan Nargis voor het einde van dit regime zorgen?
(Paul Cobbaert – 06/05/08)
Anatomie van paarse illusies (Derk Jan Eppink, 2006)
Paars is voorbij. Derk Jan Eppink voorspelde de ondergang van de regeringen Verhofstadt-Stevaert in zijn columns voor verschillende dag- en weekbladen. In 1999, bij de start van het vernieuwende paars-groene project, liet hij weten dat de nieuwe regering de mogelijkheid had om van België een ander en beter land te maken, maar ook dat er een grote ramp zal dreigen indien het experiment zou mislukken. Vanaf het jaar 2000 schreef Eppink opnieuw columns voor onder meer De Standaard, Knack en Menzo. Hij bundelde die teksten in 2006 in zijn Anatomie van paarse illusies met de bijhorende actuele commentaren. Zijn bijdragen hadden twee doelstellingen: enerzijds de Belgische politiek analyseren en fouten vaststellen terwijl ze gemaakt worden en anderzijds bijdragen aan de nieuwe opendebatcultuur in Vlaanderen. Dit laatste werd hem niet in dank afgenomen door de politieke machtshebbers. Kranten en weekbladen weigerden een aantal columns onder zware druk van vooral premier Verhofstadt. Eppink nam Verhofstadts motto van ‘open en vrij debat’ dan ook zeer letterlijk. Hij ging hard in op de politieke beleidsmakers: op de ‘goed-nieuws-show’ van Guy Verhofstadt (Open VLD) en de ‘alles-is-gratis-show’ van Steve Stevaert (SP.A). Maar Eppink spaarde ook de andere belanghebbende partijen in het politieke landschap niet. CD&V, spirit, Vlaams Blok, vakbonden, media: allemaal gaan ze voor de bijl in zijn eigengemaakte kritische stijl. En net daarom is Eppink interessant om lezen. Eppink is een calvinistische rechtse dienaar, maar door iedereen te schofferen, objectiveert hij zichzelf. Enkel GROEN! en NV-A worden gespaard. Het lijkt me echter weinig realistisch de auteur te beschuldigen van verborgen groene of Vlaamse agenda. Over de kerncentrales die in 2015 gesloten worden: ‘Sommigen noemen dit energiebeleid getuigen van visie en ambitie. Ik noem dit domheid op langere termijn.’ In een slothoofdstuk geeft Eppink tien geboden mee tegen politieke illusies, die paars zouden sterker maken indien ze gevolgd worden. Aan Verhofstadt: ‘Misschien kan het zelfs nog goed komen als hij deze tien geboden boven zijn bed hangt als ‘gratis advies’ en ze leest voor het slapengaan.’
Of je het nu eens of oneens bent met Eppink, hij probeert zijn mening op een beargumenteerde manier te ventileren, met die typische scherpe en cynische trekjes, eigen aan goede columnisten. Hij animeert het openbare politiek-culturele debat. Hij maakt juiste en onjuiste voorspellingen. Paars kon de opgang van het Vlaams Blok inderdaad niet tegenhouden, maar die laatste partij was niet langer de grote winnaar van de meest recente verkiezingen, zoals hij in 2005 onterecht dacht. VLD kreeg klappen in 2006 en 2007, maar de socialisten kregen zwaardere klappen. Dit laatste had Eppink niet voorzien. Hij zag Di Rupo en Leterme al samen in bed liggen. Anatomie van paarse illusies is een aangenaam en vlot boek, met stof om over na te denken en te discussiëren. Akkoord gaan met Eppink hoeft daarom niet.
De Nederlandse Belg Derk Jan Eppink (Steenderen, 1958) is een zelfverklaarde sociaal-democratische calvinist, met rechts-liberale trekken. Hij werkte als journalist voor NRC Handelsblad en De Standaard. Tussen 1999 en 2004 was hij actief op het kabinet van Europees Commissaris Frits Bolkestein. Hij is auteur van meerdere boeken, onder meer Vreemde Buren. Over politiek in Nederland en België (1998) en Europese Mandarijnen. Achter de schermen van de EU (2007).
Welcome to Burma (Timothy Syrotha, 2001)
De Birmese militaire overheid riep 1996 officieel uit tot Visit Myanmar Year. Het militaire regime had de voorbije drie decennia alle maatregelen genomen om toeristen te weren. Maar nu had ook de junta nood aan harde valuta. Veel meer dan enkele verdoolde rugzaktoeristen leverde die propaganda-actie niet op. Eén van die mensen was de Australische journalist en fotograaf Timothy Syrota. Hij geeft eerlijk toe dat hij het land niet kent, maar dat hij nieuwsgierig is naar het rijke Britse koloniale erfgoed. Syrota vraagt een verblijfsvergunning aan voor één maand, maar al snel verlengt hij die tot drie maanden. Wat volgt, is een prachtig reisverslag van een man die ervaringen neerpent van een prachtig land met een prachtige bevolking, maar met een ongelooflijk hard regime. De auteur legt het land Birma uit aan de lezer-leek aan de hand van zijn reis, zijn gesprekken, zijn ervaringen, zijn indrukken.
Timothy Syrota begon zijn trip in de toenmalige hoofdstad Rangoon, waar hij een aantal weken bleef. Hij leerde het land en zijn machtige inlichtingenapparaat en spionagediensten onmiddellijk kennen. De grote constante in zijn reisverhaal zijn de volgende vragen die hij almaar voorgeschoteld krijgt van onbekenden: Who are you? Where are you from? What are you doing here? What is your profession? Why do you come here? Are you working for the CIA? Syrota wil verder naar het noorden van Birma, naar gebieden die niet in de vooraf bepaalde toeristenroutes van de militaire overheid liggen, naar gebieden die niet publiek toegankelijk zijn. Hij onderneemt een lange bustrip naar de oude hoofdstad Mandalay. Daarna per boot naar Bhamo in de afgelegen, moeilijk toegankelijke Kachin-staat. Syrota ontmoet er interessante figuren, mensen die dromen van een toekomst, mensen die hopen dat hij hen hierbij kan helpen. Hij moet telkens opnieuw ontgoochelen. Hij reist verder naar Hsipaw in de Shan-staat en houdt er lange gesprekken met Mr Donald, de neef van de laatste prins van Hsipaw. Hij raakt onder de indruk van Pagan, de stad van vier miljoen pagoden, de stad die oude Birmaanse romantiek en glorie uitstraalt. Terug in Mandalay ontmoet hij Lu Maw, de jongste van de Moustache Brothers, een geliefd komisch duo in Birma. Lu Maw’s broer is opgepakt door de overheid en overgebracht naar een zwaar bewaakte gevangenis. Spot drijven met gezagshebbers is niet toegestaan. Syrota is na drie maanden Birma enigszins opgelucht dat hij het land verlaat. Dergelijke toestanden had hij niet verwacht in die zelfverklaarde toeristische trekpleister.
Timothy Syrota bezocht al verschillende landen in Zuidoost-Azië met zijn moeder in de jaren ‘70. Positief verrast en diep geïnspireerd door de regio besloot hij in 1997 een nog voor hem onbekend Zuidoost-Aziatisch land op te zoeken: Birma. Het land zou hem nooit meer loslaten. Hij keerde nog verschillende keren terug: foto’s nemen, luisteren naar mensen of documentaires filmen. In zijn laatste reis is hij door de autoriteiten uit het land gezet.
Recente reacties