De Oorlog in Joegoslavië (György Konrád, 1999)
In het voorjaar van 1999 zette de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie voor het eerst een aanvalsoorlog in, tegen de principes van de organisatie zelf. Het NAVO-verdrag is gebaseerd op wederzijdse verdediging en samenwerking tussen de ondertekende landen. Wanneer een land één van de NAVO-lidstaten aanvalt, mag die zich verwachten aan een collectieve tegenaanval. Maar in maart 1999 werd dit fundamentele principe even aan de kant gezet. Luchtaanvallen kleurden verschillende steden in Joegoslavië, toen nog bestaande uit Servië, Montenegro en Kosovo, zwart en rood. De NAVO achtte de oorlog noodzakelijk om humanitaire redenen, om de Albanees-Kosovaarse minderheid in Joegoslavië te beschermen tegen de Servische troepen van president Milosevic. De staten Bosnië en Herzegovina, Slovenië, Kroatië en Macedonië hadden zich begin jaren ‘90 al afgescheiden van Joegoslavië. De westerse landen steunden die separatistische stromingen. In Kosovo voerde de UCK een guerrillaoorlog tegen het Milosevic-regime. De UCK droomde openlijk van een groot-Albanese staat met Albanië zelf en de Albanese minderheden in onder meer Kosovo, Bosnië en Macedonië. De aanhoudende conflicten tussen Albanezen en Serviërs leidden tot een echte humanitaire ramp, duizenden doden, honderdduizenden vluchtelingen. De NAVO greep in het voorjaar van 1999 militair in en steunde hiermee de Albanees-Kosovaarse strijd tegen de Servische troepen van Slobodan Milosevic.
De Hongaarse schrijver György Konrád was één van de weinige kritische stemmen in die tijd. Hij hekelt het machtsvertoon van de NAVO in wat hij zijn achtertuin noemt, Kosovo. Konrád vindt de logica niet van dit militaire optreden. Enerzijds wil de West-Europese wereld zich voortdurend verenigen in de Europese Unie, terwijl men anderzijds voortdurend desintegratieve tendensen steunt op de Balkan. Hij gaat op zoek naar de redenen hiertoe, maar komt niet verder dan machtsvertoon. De NAVO luidde de oorlog in onder een aantal humanitaire noemers, zoals de bescherming van de Albanese minderheid in Joegoslavië en de afzetting van dictator Milosevic. Maar met die luchtbombardementen bereikt men net het omgekeerde. De troepen van Milosevic zetten zich nog meer af tegen de westerse landen en reageren hun frustraties gewelddadig af op de Albanese minderheid. Ten tweede vallen er veel te veel onschuldige burgerslachtoffers ten gevolge van die luchtaanvallen. Hierdoor wordt de bevolkingssteun vóór Milosevic en tegen het westen opnieuw groter. En ten vierde strookt de aanval absoluut niet met de grondprincipes van de NAVO. Dit is de eerste keer in de geschiedenis dat een NAVO-land een niet-NAVO-land aanvalt zonder legitieme aanleiding. Joegoslavië had namelijk geen NAVO-lidstaat aangevallen in de vorige jaren. Waarom zien de NAVO-leiders dit omgekeerde effect van hun actie niet in? De auteur stelt een aantal lastige vragen voor de leiders van die tijd. Hongarije trad twee weken voor het luchtbombardement op Kosovo toe tot de NAVO en Konrád voelt zich persoonlijk betrokken bij de activiteiten van de organisatie.
De joods-Hongaarse schrijver Geörgy Konrád (1933, Debrecen) maakte een aantal traumatische ervaringen mee in zijn leven. Hij overleefde het nazisme van Hitler, het communisme van Stalin en was een dichte getuige van de Joegoslavische leiders Tito en Milosevic. Konrád studeerde literatuurwetenschappen, sociologie en psychologie aan de universiteit in Boedapest. Zijn werk was verboden in het communistische Hongarije. Hij wordt gezien als één van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. Hij is een zelfverklaarde aanhanger van de liberale democratie, de Europese integratie en de westerse oriëntatie van Hongarije.
Recente reacties