Problemski Hotel (Dimitri Verhulst, 2003)

Dimitri Verhulst was in december 2001 amper 29 jaar oud, nog een beginnend schrijver, toen hij zich enkele dagen liet opsluiten in het opvangcentrum voor asielzoekers in Arendonk. Op uitnodiging van het tijdschrift Deus Ex Machina voor een artikelenreeks. De aanslagen van elf september zaten nog vers in het geheugen. Een moslim was eerder een wandelende granaatbom dan een andersgelovige medemens. Verhulst vertelt in zijn boek Problemski Hotel op anekdotische wijze zijn belevenissen, de één al wat meer waarheidsgetrouw dan de ander. Het is de boodschap achter het verhaal die telt. En die kan tellen. In deze koude winterdagen sluimeren de asielproblemen in ons land traditiegetrouw aan de oppervlakte. Al drie jaar lang worden we van september tot februari overspoeld door gelukzoekers, meerwaardeavonturiers en politieke en economische asielzoekers. En dit mondt telkens uit in een crisis, een opvangcrisis. De problemen waren in december 2001, nu exact tien jaar geleden, niet minder groot, al weten we het misschien niet meer. Ook toen niets anders dan schrijnende toestanden achter poorten, hekkens, deuren, ramen en tralies van asielcentra.

Dimitri Verhulst is Bipul Masli, een beroepsfotograaf, gepokt en gemazeld in de periferie van het Kasjmirconflict tussen Pakistan en India. Hargeisa, 1984. Bipul Masli neemt de bijna perfecte foto. Een stervend kind in Hargeisa, voor de goede verstaander, dit is de hoofdstad van Somaliland, niet erkend, maar om en bij het armste land ter wereld. De bijna perfecte foto, want de vlieg, op andere tijdstippen altijd verzot op schrijnende toestanden, ontbreekt, zo zucht Bipul Masli. Arendonk, 2001. Bipul Masli vindt het nog te koud om een container te nemen en de oversteek te maken naar Groot-Brittannië, in die tijd, en nog altijd, het beloofde land voor asielzoekers. Bipul Masli is om een of andere niet zo nader toegelichte reden in België beland en wacht op zijn papieren, zonder veel hoop, of op zijn uitwijzingsbevel en zijn illegale oversteek, per container, naar Groot-Brittannië, de meest waarschijnlijke optie.

Dimitri Verhulst beschrijft het leven in Arendonk aan de hand van belevenissen van de bewoners van het centrum. Grappig, meelijwekkend, cynisch, hilarisch, ongeloofwaardig, seksistisch, egoïstisch, altruïstisch, en vooral humaan. Zo kunnen de inwoners van het centrum gekarakteriseerd worden. Vreemd genoeg variëren die eigenschappen niet zo heel erg veel van die van de modale westerling, de man of vrouw met papieren en een dak boven zijn of haar hoofd. Ze, de asielzoekers, blijken zelfs zo humaan dat hun eigenschappen verworden tot de eigenschappen van zij die hen met gruweldaden hebben verplicht hun vaderland te ontvluchten. Arendonk, 2001. Bipul Masli wordt gefotografeerd. Er komt een vlieg op zijn kop zitten, kakt, en op dat moment klikt de fotograaf. Ik betwijfel of het leven in een asielcentrum tien jaar na datum veel vrolijker geworden is.

Categorieën:Algemeen, Boeken Tags:,

Van Frietrevolutie tot Vlinderakkoord

december 26, 2011 Plaats een reactie

Het jaar 2011 zal de geschiedenisboeken induiken als het jaar waarin de Belgische federale regering haar macht definitief moest afstaan. Niet aan Vlaanderen, Wallonië en Brussel, zoals even gedacht na de verkiezingsoverwinning van N-VA op 13 juni 2010, maar aan Europa en vooral aan de schimmige ratingbureaus. De Wetstraat 16 is gekaapt door Moody’s en Fitch, en niet door Elio Di Rupo.

Herinnert u ze nog allemaal? Bemiddelaar Vande Lanotte, informateur Reynders, onderhandelaar Beke, formateur Di Rupo en uiteindelijk premier Di Rupo. Dat zijn de mannen die in 2011 de opdracht toegewezen kregen om het resultaat van de verkiezingen van 13 juni 2010 in een regering te gieten. Het jaar begon uitzichtloos. Bemiddelaar Johan Vande Lanotte (SP.A) brak zijn opdracht af met de plastische woorden: ‘Je kan een paard naar het water leiden, maar je kan het niet dwingen om te drinken’. Vrij vertaald: N-VA en Bart De Wever hebben weinig dorst in een regering. De impasse duurde voort. De liberalen doken op met Didier Reynders (MR) die moest informeren wie al dan niet zin had in een akkoord en een regering. Was dit 234 dagen na de verkiezingen nog niet duidelijk?

Onder de bevolking, en vooral in studentenkringen, borrelde het ongenoegen op. Tienduizenden mensen namen in januari deel aan de SHAME-betoging, het hoogtepunt zou een maand later volgen, de Frietrevolutie op 17 februari naar aanleiding van het wereldrecord regeringsvormen. Aan het politieke front werd weinig gehoor gegeven aan de volksprotesten, maar ging het schaakspel vrolijk verder.

Schimmige draken

We schrijven ondertussen 16 mei. De Rode Duivels wisten al zeker dat ze naast het Europees Kampioenschap zouden grijpen. Elio Di Rupo (PS) kreeg de laatste mogelijkheid om een Belgisch doelpunt te scoren. De Italiaanse migrantenzoon werd formateur en zou uiteindelijk die laatste kans tegen de netten prikken. Al verliep de voorbereiding op dat doelpunt niet zoals verwacht. De loepzuivere voorzet werd niet door Bart De Wever, Didier Reynders of Wouter Beke gegeven, maar door de Europese Unie, de financiële markten en vooral de schimmige ratingbureaus. Wie had het er op de vorige kerstdis al gehoord van Standard & Poor’s, Fitch of Moody’s? Deze draken doken plots op uit de Noordzee en dwongen Di Rupo en zijn kompanen tot grondige akkoorden. De dames en heren politici schoten in actie. Noodgedwongen, want verder uitstel zou de ondergang van ons land inluiden naar het voorbeeld van Griekenland, Spanje en later Italië. Acht partijen sloten een communautair akkoord, zonder N-VA. Zes partijen sloten een regeerakkoord, zonder Groen! en Ecolo. En op 6 december overhandigde Sinterklaas het vlinderakkoord aan Koning Albert II die zo net op tijd zijn winterslaap kon aanvatten.

Peking-eend

Als Piet Huysentruyt u onder het bereiden van de kerstkalkoen en het nieuwjaarsmenu vraagt wat we nu geleerd hebben van het politieke jaar 2011, is slechts één antwoord het juiste. We hebben meer dan ooit te maken met een afkalving van de macht van de federale regering. Die heeft moeten plooien naar de wensen van de ratingbureaus, naar de wensen van de Europese Unie, en niet naar de wensen van de politieke partijen die de verkiezingen van 13 juni 2010 wonnen. En dat zal niet voor het laatst geweest zijn. De Europese Unie heeft, met het gevaar op dumping van Groot-Brittannië, besloten om het financieel beleid van de lidstaten meer op elkaar af te stemmen. Europa neemt het heft in handen en zal nationale regeringen straffen en zalven. Het democratisch bestel, zoals we dat al decennialang kennen, wordt geconfronteerd met zijn eindigheid. We staan op de drempel van een nieuw politiek tijdperk. Een tijdperk waarin de democratie pluimen verliest aan de economie, waarin Washington pluimen verliest aan Peking. Al blijken de vakbonden dat niet te geloven. Minister Q is niet de man die beslist over onze pensioenen. Ook Elio Di Rupo niet.

Categorieën:Algemeen, Column

De Weg naar het Avondland (Jan Leyers, 2011)

november 29, 2011 Plaats een reactie

Jan Leyers haalt in zijn ontdekkingstocht van Ethiopië naar Europa net op tijd de Duitse historicus en filosoof Oswald Spengler nog eens vanonder het stof. De ooit zo beroemde Oswald Spengler lijkt vandaag wel vergeten. Ook door het Duitse volk. Spengler, geen nazi voor alle duidelijkheid, publiceerde in september 1918, in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog, het eerste deel van zijn turf Der Untergang des Abendlandes, een revolutionair werk voor die tijd, inbeukend op het mainstream-wereldbeeld. De Duitse filosoof geloofde niet in eeuwigdurende heerschappij van het westen. Hij zag geen vooruitgang meer en plaatste de westerse beschaving tussen al die andere beschavingen die ingehaald en vernietigd werden door de geschiedenis. Spengler werd gelezen, beschimpt en later weer vergeten. En toch vond ik net die passage in Leyers’ derde boek De Weg naar het Avondland zeer treffend voor de tijdsgeest die heerst in de westerse wereld in het eerste en tweede decennium van de eenentwintigste eeuw. Bijna honderd jaar na datum doemen Spenglers visioenen terug op. De westerse beschaving, het Avondland dus, staat op een keerpunt. Op meer dan een keerpunt, op een terugkeerpunt. Na 1918 werd deze beschaving (al dan niet kunstmatig) in leven gehouden, maar de houdbaarheidsdatum kwam vervaarlijk dichterbij. Tot ze plots verviel. Lehman Brothers, september 2008. Het vervolg is voor een nieuwe turf. Niet voor Leyers, niet voor Spengler, eerder voor Mao of Tao.

Genoeg over Oswald Spengler, terug naar Jan Leyers. Die heeft met De Weg naar het Avondland een gesmaakt vervolg vast op De Schaduw van het Kruis en De Weg naar Mekka. En al duikt Spengler ocharme tien pagina’s lang op de voorgrond, net die zoektocht naar het Avondland voert Leyers vanuit Ethiopië, de bakermat der mensheid, langs Egypte, Turkije en de Kaukasus richting het Poolse stadje Oswiecim en Duitsland, waar de beschaving in de jaren ’40 van de vorige eeuw halt hield. Leyers slaagt erin de lezer vast te houden in zijn gesprekken met mensen uit diverse geledingen van de maatschappij. Net als in zijn vorige werken doet hij dat met humor, persoonlijke bedenkingen en vernieuwende standpunten. De muzikant/filosoof/televisiemaker mag dan al door bepaalde intellectuelen afgeschoten worden voor clichématige vertrekpunten, hij slaagt er toch maar lekker in een breed publiek inzicht te geven in een niet-alledaagse problematiek. Eén minpunt. De basisinvalshoek wordt te weinig uitgewerkt. Leyers wil ontdekken hoe onze neven en nichten langs de route denken over het Avondland, over de westerse samenleving. Op die vraag krijgen we nooit een helder antwoord. Al is dat geen reden om die vierde turf niet snel klaar te stomen. De Weg naar de Nieuwe Wereld. Richting Oosten dus.

Anne Frank. 1929-1945. (Carol Ann Lee, 2001)

september 30, 2011 Plaats een reactie

Het verhaal van Anne Frank is genoegzaam gekend. Het kleine joodse meisje dat tijdens de Tweede Wereldoorlog twee jaar lang ondergedoken zat met haar familie in het Achterhuis in Amsterdam. Haar dagboeken zouden de wereld rondgaan en symbool staan voor de gruwel van Hitler en zijn nazi’s in de jaren ’40 van de vorige eeuw. Vader Otto Frank en moeder Edith Höllander groeiden op in het Duitsland van de nazi’s, maar trokken in de jaren ’30 zuidwaarts richting Nederland. Helaas bleek ook dat geen veilige haven. In 1942 zag het gezin zich verplicht om te schuilen in de achterkamers van Otto’s bedrijf langs de Prinsengracht in Amsterdam. Met de toegewijde steun van zijn werknemers kon het gezin Frank, vergezeld van het bevriende koppel van Pels en de eenzaat Fritz Pfeffer, twee jaar lang schuilen voor de jodenjagers. Net toen de oorlog ten einde liep, werd het gezin alsnog verklikt. De familie werd getransporteerd naar de werk- en concentratiekampen in Nederland, Duitsland en Polen en zou daar gescheiden worden. Anne en haar oudere zus Margot werden via Auschwitz-Birkenau verscheept naar Bergen-Belsen waar ze vlak voor het einde van de oorlog, in maart 1945, omkwamen van ontbering, honger en ziektes.

Een gruwelijk verhaal, dat van Anne Frank, laat daar geen greintje twijfel over bestaan. En toch brengt het boek van Carol Ann Lee nieuwe, maar vooral andere emoties teweeg. Onbewust waarschijnlijk. De Britse schrijfster baarde opzien met haar diepgravende studies naar de familie Frank. Met ‘Anne Frank. 1929-1945’ serveert Ann Lee alvast een pareltje waarin ze niet alleen aandacht besteed aan de levensloop van Anne Frank, maar ook aan die van haar ouders, haar zus, haar ooms en tantes, en aan haar heldhaftige vertrouwelingen tijdens de periode in het Achterhuis. Dat alleen al geeft dit boek een voorsprong op die andere honderden turven over het leven van Anne Frank. Ann Lee levert een meeslepend werk waarin de lezer zich kan transformeren in elk personage. En net zo krijg je een andere visie op wie Anne Frank en haar familie echt waren en dat beeld blijkt niet altijd even mooi. Dit is niet de mainstream-gedachtegoed en het mag misschien niet luidop gezegd worden, maar het was toch mijn indruk tijdens het lezen van ‘Anne Frank. 1929-1945’. Man, wat moeten Otto en Anne veel vijanden gemaakt hebben op prille leeftijd. Anne was wel Otto’s beschermengel en dat ging ten koste van alles en iedereen. En niet in het minst ten koste van zus Margot en moeder Edith die meer dan eens voorwerp waren van Annes scheldpartijen. Vooral met zus Margot krijg je als lezer een felle empathie, zeker als Otto Frank na de oorlog op zoek gaat naar zijn dochter, maar de naam Margot nog zelden laat vallen. Hij wil de gedachte aan Anne levendig houden, welke vader zou dat niet doen, maar de gedachte aan Margot verdwijnt in de massa. Terwijl ook zij een joods meisje was dat op 16-jarige leeftijd met haar familie moest onderduiken in het Achterhuis waar ook zij een dagboek bijhield, maar waar achteraf nog weinig mensen naar kraaiden.

Categorieën:Algemeen, Boeken

De Blanke Masaï (Corinne Hofmann, 1999)

augustus 31, 2011 Plaats een reactie

Het boek is beter dan de film. Een cliché, maar een waarheid als een koe in het geval van het verhaal van Corinne Hofmann bij de masaï in Kenia. Ik had de film De Blanke Masai, een straffe film overigens, jaren geleden al gezien, wat mijn twijfels bij het kopen van het boek serieus voedde. Beïnvloed door het beeld van een rijkgevulde bibliotheek haalde ik de turf toch maar in huis. Een beslissing die me niet zou spijten. Waar je in de film nog soms dat gevoel had van ‘hier klopt iets niet’ of ‘had die vrouw dat werkelijk niet voorzien’, kreeg je in het boek een gevoel van empathie, een gevoel van ‘ik zou dit ook wel kunnen meemaken’ of van ‘niets zo menselijks als deze emoties’. Je begrijpt Corinne Hofmann, hoe moeilijk het soms ook is, in haar beslissingen, zowel haar verhuis naar Kenia als haar terugkeer, terwijl je in de film meer naar een sprookje staart dat eindigt met een doorprikt droombeeld.

Corinne Hofmann is in het jaar 1986 een modale westerse vrouw die in het Zwitserse Biel een winkeltje uitbaat. De zaken lopen lang niet slecht en ze heeft serieuze uitbreidingsplannen op papier. Voor trouwen of kinderen heeft ze voorlopig geen tijd, al is haar vriend Marco daar best rouwig om. In het jaar 1986 trekken zij op reis naar Mombasa. Voor het eerst. Nooit eerder had ze in Kenia voet aan land gezet. Op dag drie trekken ze met de veerboot naar de stad. Op de weg terug maakt Marco Corinne attent op iemand. “Het is alsof ik door de bliksem word getroffen”, spreekt de schrijfster die de masaï van kop tot teen aanstaart en omgekeerd. De masaï is een nomadisch volk in het oosten van Afrika dat nog zoveel mogelijk vasthoudt aan traditionele gebruiken. In de dorpen van de masaï primeren geiten op geld, al dringen ook daar muntstukken en biljetten snel door in de samenleving. Dat is trouwens de reden waarom die masaï ook op die veerboot zit. In Mombasa, waar toerisme welig tiert in vergelijking met zijn thuisregio Barsaloi waar zelden een blanke gespot wordt, of het zou een missionaris moeten zijn, vormen masaï aantrekkingspolen voor toeristen. Veel heeft de masaï op die gedoemde veerboot niet om het lijf. Een korte, rode lendenbroek en een rijk versierd lichaam volstaan voor totale betovering. Het leven van Corinne zou nooit meer hetzelfde zijn. Ze verlaat haar vriend, verkoopt haar winkel, zwaait haar familie en vrienden uit en smelt voor haar nieuwe vaderland. Liefde op het eerste gezicht, al verdrong die verliefdheid de eerste signalen dat niet alles rozengeur en maneschijn zou zijn. Corinne en haar masaï blijven niet lang in Mombasa, maar keren terug naar zijn geboortedorp in ‘the middle of nowhere’. Ze bouwen een hut, trouwen volgens de riten van de stam, krijgen een kind en starten een winkel. Maar de ballon wordt na de geboorte van Napirai snel doorprikt. De fysieke uitputtingsslag, malaria en honger, kan Corinne nog overwinnen, de mentale uitputtingsslag, de culturele verschillen en de onhebbelijke jaloezie van haar man, niet. Ze keert vier jaar later terug naar Zwitserland. Een illusie minder, maar toch gelukkig.

Corinne Hofmann wachtte acht jaar om haar fantastische (in letterlijke zin), meeslepende en onwaarschijnlijke masaï-avontuur op te tekenen. Meteen na verschijning werd het opgepikt door miljoenen lezers, vertaald in meerdere landen en succesvol verfilmd door Hermine Huntgeburth. Later schreef ze de vervolgverhalen Terug uit Afrika en Weerzien in Kenia.

Categorieën:Algemeen, Boeken

Mandela. Over leven, liefde en leiderschap (Richard Stengel, 2010)

De Amerikaanse journalist Richard Stengel, hoofdredacteur van Time Magazine, werkte drie jaar intensief samen met Nelson Mandela, vrijheidsicoon, Nobelprijswinnaar en voormalig president van Zuid-Afrika. Stengel begeleidde Mandela begin jaren ’90 in het schrijven van zijn autobiografie ‘De Lange Weg naar de Vrijheid’. Uren, dagen en weken spraken de twee met elkaar. Mandela zou een onuitwisbare indruk nalaten op de Amerikaan. Dat zou uiteindelijk de basis vormen voor dit nieuwe boek ‘Mandela. Over leven, liefde en leiderschap’ dat vijftien
inspirerende levenslessen bevat over moed, leidinggeven, zelfvertrouwen, omgaan met je rivalen, besluitvaardigheid en de liefde. Het  boek verscheen niet toevallig twintig jaar na de vrijlating van Nelson Mandela.

Richard Stengel steekt niet onder stoelen of banken dat hij een groot bewonderaar is van de man die Zuid-Afrika definitief naar het post-apartheid-tijdperk leidde. Hij omschrijft Mandela als ‘misschien wel de laatste echte held op onze planeet, het lachende symbool van opoffering en oprechtheid, een levende legende’. Stengel toont ook de keerzijde van de medaille, hij spaart Mandela niet, en zeker niet als het over zijn persoonlijk leven gaat. Maar zijn algemeen besluit luidt toch dat Mandela een absoluut icoon is, een man zonder wie de wereld er vandaag helemaal anders zou uitzien, en duidelijk in negatieve zin. Van de vijftien levenslessen beslaan er enkele aloude clichés. Dat moed niet hetzelfde is als bang zijn, zal Mandela niet uitgevonden hebben. Idem voor tactische principes als je vijanden goed leren kennen en weten wanneer je neen moet zeggen. Andere levensidealen van Mandela bieden dan wel weer nieuwe inzichten en inspiratie. Het goede in anderen zien en aftreden als toonbeeld van leiderschap zijn slechts twee voorbeelden van principes die voor veel politici van vandaag op een onbewandeld pad liggen. Dat liefde het verschil maakt, zullen velen bevestigen, al kan dat moeilijk als een inspirerende les van Nelson Mandela beschouwd worden. Zijn liefdesleven was geen onbeschreven blad.

“Ubuntu”, zo stelt Nelson Mandela in zijn voorwoord tot het boek. “Dat is het Afrikaanse woord voor dat intense gevoel dat wij alleen door andere mensen mens zijn, dat als wij iets in deze wereld willen bewerkstelligen, dit in gelijke mate door de prestaties van anderen zal worden gerealiseerd.” Richard Stengel haalt het Afrikaanse woord meerdere keren aan in het boek. Ubuntu toont misschien nog best aan waar Mandela zich onderscheidt van alle andere wereldleiders en iconen. Dat ubuntu niet in één woord vertaald kan worden, noch in het Engels, noch in het Frans, noch in het Nederlands, betekent meer dan vele levenslessen samen.

De Meester van de Schaduw (Mark Lamster, 2009)

Peter Paul Rubens (1577-1640) is niet alleen de grootste Vlaamse meester in de schilderkunst, hij beklimt ook de hoogste treden van de Vlaamse diplomatieke geschiedenis. Dit tweede leven van de Antwerpen, weliswaar geboren in Duitsland, is onderbelicht in de publicaties over zijn leven, maar minstens zo interessant. “Rubens werkte als diplomaat met dezelfde energie die hij in zijn werk als kunstenaar stak. Hij was bereid alles op het spel te zetten: zijn carrière, zijn reputatie, zijn leven.” De Amerikaan Mark Lamster legt in ‘De meester van de schaduw’ een uniek inzicht bloot op dit andere leven van Peter Paul Rubens.

Toen Rubens’ familie eind zestiende eeuw terugkeerde naar Antwerpen (de familie school twintig jaar in Duitsland uit schrik voor het bewind van de hertog van Alva), was de stad maar een schim meer van die fleurige bloem die het amper vijftig jaar eerder nog was. Na het uiteenvallen van het Heilige Roomse Rijk vielen de Lage Landen onder zeggenschap van het Habsburgse Spanje van koning Filips II. Die zaaide zoveel tweedracht in het gebied, dat vooral de Nederlandse provinciën in opstand kwamen. De zuidelijke provincies (ongeveer het huidige België) bleven trouw aan Spanje, maar zouden dit duur bekopen in de oorlog met de Nederlanders. De noordelijke provincies eisten onafhankelijkheid en alle grote Europese mogendheden raakten in dit conflict verstrikt. De Tachtigjarige Oorlog laaide volop. In dit klimaat trok Rubens in 1600 naar Italië waar hij aan het hof van de hertog van Mantua belandde en zijn eerste diplomatieke opdrachten voltrok. Kunstenaars leefden toen naar de gratie voor koningen, hertogen en andere edelmannen die hun macht illustreerden met kunst. Het duurde niet lang vooraleer Rubens één van de meest geliefde schilders van het oude continent was. En dat had zo zijn voordelen voor zijn tweede leven.

Rubens keerde na acht jaar terug naar zijn geliefde Antwerpen waar hij een woning optrok langs de Wapper. Dat werd al snel een ontmoetingsplaats voor kunstenaars, intellectuelen, lokale politici en schrijvers. De schilder raakte dankzij zijn werken bevriend met het Spaanse hof en later ook met Isabella, de Spaanse landvoogdes in Vlaanderen. Rubens werd emotioneel geraakt door de teloorgang van zijn stad. Epidemiën en hongersnoden staken de kop op, oorlogen verwoestten natuur en natuur en ’t Scheld stond droog. Via zijn opdrachten aan buitenlandse hoven legde hij meer en meer diplomatieke contacten met één doel voor ogen: vrede tussen Nederland en België. Rubens besefte dat dit alleen maar mogelijk was als Spanje en Engeland, dat de Nederlandse provincies steunde, een akkoord zouden sluiten. En daar maakte hij zijn levensopdracht van. Niet eenvoudig, want kunstenaars zijn tenslotte mensen die moeten werken voor hun inkomen. En die werden niet zomaar aanvaard in Koninklijke kringen. Een unieke kans bood zich aan in 1629. Rubens kreeg opdracht om het plafond te schilderen van het pas gebouwde Banqueting House in het paleis van Whitehall. Een opdracht van de Engelse koning Charles I. Wat de Vlaamse schilder hier zou verwezenlijken, zou geen kunstenaar/diplomaat hem ooit nog nadoen.

De Amerikaanse auteur Mark Lamster besluit met zeer treffende bewoordingen de verhouding tussen een kunstenaar als Rubens in die tijd en een kunstenaar vandaag: “Een schilder-diplomaat als Rubens zullen we waarschijnlijk nooit meer zien … De hedendaagse kunstwereld staat erg op zichzelf en de sterren uit die wereld krijgen al in hun jonge jaren te horen dat ze worden geacht het conventionele gezag uit te dagen en de publieke aandacht naar zich toe te trekken.” Niet zo voor Rubens. Die werkte voor het gezag en voor de vrede. In stilte.

Categorieën:Algemeen, Boeken

Geloof, hoop en liefde (Marie-Rose Morel, 2011)

Zeven weken geleden overleed Marie-Rose Morel. Vlaanderen treurde collectief om de jonge moeder van twee prinsjes. Het was haar en haar kersverse man Frank Vanhecke niet gegund om één keer samen Valentijn te vieren. Al zullen kwatongen beweren dat ze dat genoeg gedaan hebben in het verleden. Ik vond die gemeenschappelijke treurnis wel een beetje eigenaardig. Tot twee jaar terug, toen er nog geen sprake was van dat vreselijke beestje in haar lichaam, kon Morel niet genoeg beschimpt worden. Van politieke mede- en tegenstanders, van pers en publiek, van jong en oud. Die bitch van het Blok, zo noemde men haar. En dan sloeg het noodlot toe. Eerst het slechte nieuws, dan nog even hoop op herstel, maar uiteindelijk de definitieve mokerslag. We wensen dit niemand toe en zeker geen jonge moeder. Op dinsdag 8 februari blies ze haar laatste adem uit. Vreemd genoeg groeide ze nadien plots uit tot een icoon van de Belgische politiek, tot de vrouw die het Blok wilde humaniseren, die de partij een geweten wilde schoppen. Niets bleef nog over van die wilde scheldpartijen en beschimpingen. En toch was Marie-Rose Morel nog altijd diezelfde vrouw, een moeder, van toen ze nog actief in de politiek zat. Vreemd hoe mensen plots anders tegen soortgenoten aankijken.

Wie schrijft, die blijft, en dat geldt zeker in het geval van Marie-Rose Morel (1972-2011). Haar postuum uitgegeven boek ‘Geloof, hoop en liefde’ klom explosief naar nummer één in de lijst van beste verkochte non-fictieboeken. Vlaanderen leeft nog altijd mee met haar en haar vreselijke verhaal van geloof, hoop en liefde, maar ook van onzekerheid, wanhoop en onmacht. ‘Geloof, hoop en liefde’ is een verzameling van de wekelijkse columns die Marie-Rose Morel schreef voor Het Laatste Nieuws vanaf september 2010, vlak nadat ze vernam dat de kanker terug was. De laatste column dateert van 7 februari van dit jaar, één dag vóór haar overlijden. Morel was toen vijf kilogram bijgekomen en vatte moed. Ze kon weer lezen en typen en sprak zelfs over haar toekomstplannen. De laatste column in het boek is van de hand van haar moeder. Een pakkend afscheid van een moeder die wachtte op een sms’je van veilige aankomst … en dat uiteindelijk ook kreeg. Het boek is niet alleen een emotioneel verhaal van een jonge vrouw die weet dat ze binnenkort zal sterven, maar ook een aanmoedigend verhaal van een jonge moeder die elk grassprietje hoop wil grijpen om haar levensduur te verlengen. Iedereen die ooit met kanker geconfronteerd werd, vindt zichzelf terug in deze eenzame tocht. Morel bewijst, net als in haar vorig boek ‘Leve het Leven!’, dat ze niet alleen politicus, moeder en vrouw was, maar ook een uitstekend schrijfster. ‘Geloof, hoop en liefde’ zal niet meteen verdwijnen uit de boekenrekken.

Categorieën:Algemeen, Boeken

Column. Wereldrecord.

Alvast één wereldrecord dat van ons is. Dat van de langste regeringsvorming. Niet meteen één om fier op te zijn, maar dat laten wij, Belgen (of is het Vlamingen), niet aan ons hart komen. Met duizenden vierden we de frietrevolutie, naakt zetten tientallen studenten ons land in haar blootje, Marleen Temmerman wil geen seks meer zonder regering, acteur Benoit Poelvoorde laat zijn baard groeien, op CNN mocht analist Geert Hoste de situatie onder de loep nemen, vanuit Amerika snelde professor Mnookin (what’s in a name) ons te hulp, op een gastcollege in Gent lanceerde Vande Lanotte, inderdaad slappe lach-Johan, een nieuw voorstel, één dat verder ging dan wat hij als bemiddelaar op tafel kletste. Het federaal  niveau zit in een diepe impasse en alsof dat niet genoeg is, vond Vlaams minister Lieten het hoog tijd om ook de Vlaamse regering eens een serieuze peer te stoven. En toch blijft de wereld lekker draaien. We moeten toch eerlijk toegeven: nergens is het zo interessant als in België. Nu is het enkel nog wachten op zatte Daerden om ook nog eens op de proppen te komen (wat is dat lang geleden, zeg). Ik hoop alleen maar dat nieuwe verkiezingen niet leiden tot radicalisering en splitsing. Waar halen we de humor dan vandaan?

Categorieën:Algemeen

In handen van de taliban (Joanie de Rijke, 2009)

Uzbin, Afghanistan, 20 augustus 2008. Het onwaarschijnlijke verhaal van de Nederlandse journaliste Joanie de Rijke begint hier. Tien Franse paracommando’s worden door een groep talibanstrijders koudweg afgemaakt. Diezelfde dag nog kreeg de Rijke bericht van één van haar Afghaanse bronnen of ze graag met de commandant van de opstandelingen had gesproken. De commandant, Ghazi Gul genoemd, wou niets liever dan pronken met zijn lugubere prestatie. De journalistiek zintuigen van Joanie de Rijke waren geprikkeld en ze was vastberaden om die confrontatie aan te gaan, ondanks herhaaldelijke waarschuwingen. Na enkele mislukte pogingen komt het op 1 november tot een geheime ontmoeting met Ghazi en enkele leden van zijn groepering. De journaliste wordt vergezeld van de Afghaanse tolk Zaheer. De ontmoeting begint spontaan, ontspannend, zelfs grappend. De taliban leidde haar gasten te voet de bergen in, maar plots sloeg de stemming om. Net op het moment dat ze een bocht namen en door hoge rotsen ingesloten werden. Ghazi meende plots dat Joanie geen journaliste is die een reportage over de taliban komt maken. Hij is ervan overtuigd dat ze een dubbele agenda heeft, net zoals de twee Franse reporters die enkele weken geleden een blitzbezoek brachten. Dat betekent het begin van een zeven dagen lange helse gijzeling waarin een spel gespeeld wordt tussen gijzelaars, gijzelnemers, politici en tussenpersonen.

Ik ga dood. Ik ben Joanie de Rijke, een Nederlandse in Afghanistan die volgens de Taliban spioneert voor de Fransen. Daarom moet ik eraan. Mijn kop moet eraf. Letterlijk. Voor een eerste alinea van een boek kan dit tellen. Joanie de Rijke vertelt in ‘In Handen van de Taliban’ op gedetailleerde en meeslepende wijze haar surrealistisch verhaal in de onhergbergzame bergen in het oosten van Afghanistan, gecontroleerd door wilde groeperingen van talibanstrijders. De lezer wordt meteen meegesleurd in het verhaal en zal het nooit meer loslaten. De journaliste leefde zeven dagen in doodsangsten, omringd door mannen waarmee ze niet kon communiceren door de taalkloof. Ze wordt heen en weer geslingerd door tegenstrijdige gevoelens. Op sommige momenten kan ze niet anders dan meestappen in een ‘wij-tegen-zij’-denken, een opvallende vaststelling, omdat de emotionele kloof zo groot is, maar op andere momenten groeit er zelfs een band met de talibanstrijders. Haar tolk en enige toeverlaat Zaheer verdwijnt al na enkele dagen van het toneel. Ghazi blijkt niet meteen de meest rechtlijnige leider. Hij stelt Joanie gerust dat ze zal vrijkomen, dat het losgeld zal betaald worden, dat ze niet langer ongerust moet zijn, om haar twee minuten later in haar vrouwelijkheid te raken.

Uiteindelijk wordt het losgeld betaald, en veel minder dan oorspronkelijk geëist, maar de zaak lokte veel controverse uit. De Nederlandse en Belgische regeringen wilden liever hun handen van deze ontvoering houden omdat ze principieel tegenstander zijn van losgeld in dergelijke zaken. De redactie van P-magazine, het blad waarvoor de journaliste werkt, kon in samenwerking met enkele vrienden de zaak toch tot een positief einde brengen. Maar deze ervaring zal haar nooit meer loslaten.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.